Over een vrouwelijke zeeroofster die zich voordeed als man en in Breda de Drie Hoefijzers heeft gesticht...

 

DEEL 1. Eind zeventiende eeuw

 

Terwijl de avond valt, huil ik tranen met tuiten. Ze rollen langzaam over mijn wangen en laten natte sporen achter op mijn gezicht. Ze druppelen daarna op mijn kussen, dat al doorweekt geworden is, omdat ik hier al een hele poos lig.

Deze verschrikkelijke dag wil ik eigenlijk zo snel mogelijk vergeten, maar het lukt me niet. Ik probeer te denken aan fijne dingen, aan de avonden dat we gezellig met zijn allen bij het vuur zaten te luisteren naar de spannende verhalen van mijn stiefvader, maar ik kan het niet laten om deze verschrikkelijke dag keer op keer in mijn hoofd af te spelen.

Was ik maar dom. Zo dom, dat niet alle puzzelstukjes van de afgelopen jaren vandaag in elkaar gevallen zijn.

Terwijl ik jaloers toekeek, zag ik altijd alle meisjes hun moeder helpen met het poetsen van het keukengerei. Vol afgunst zag ik ze bij het licht van de kaarsen spelen met poppen, die ze dan allerlei verschillende kleertjes aantrokken. Ik mocht alleen maar met speelgoedsoldaatjes spelen.

Eigenlijk dacht ik tot vandaag dat de meisjes altijd meisjeskleren droegen en jongens altijd jongenskleren, omdat de ouders dat voor hen bepaald hadden. Mijn moeder zei namelijk ook altijd dat zij voor mij bepaald had dat ik een jongetje moest zijn, dat zij degene was die gekozen had dat ik in plaats van zo’n mooie, kanten, sierlijk wijd uitlopende jurk een saaie, bruine pofbroek met een witte trui moest dragen. Maar vandaag kwam ik erachter dat ouders het helemaal niet bepalen voor hun kinderen, maar dat dat bij de geboorte al bepaald is.

 

Voor de rest van het verhaal: even afwachten totdat de bundel verschijnt!